Alverzoening

weerwoord voor een dwaalleer Joh. 1:12

Nogmaals ‘eeuwig’

Uit: “Bijbelsch woordenboek voor het christelijke volkdeel 1 pag.224 uitg. 1867 Den Haag.

Eeuwig, eeuwigheid

1. De Griekse taal heeft hiervoor drie uitdrukkingen (aïdies, Rom. 1: 20; aperantos, 1 Tim. 1: 4; aionios, Matth. 13; 8; 1.9: 16. Rom. 2: 7; 1: 25. Hebr. 9: 14. 2 Tim. 1: 9. Van oneindige duur komt het laatste bepaald voor, Openb. 11: 15. Philip. 1: 20. 1 Tim. 1: 17. Hebr. 13: 21. 1 Petr. 4: 11; 5: 11. Openb. 1: 6, 18; 5: 14:), die van elkander te onderscheiden zijn als: altijddurend, oneindig, eeuwig. In de strengste zin betekent het, wat geen begin noch einde heeft, wat aan de voorwaarden van de tijd geheel ontheven is. Zoals in de toepassing op God (Gen. 21: 33. Ps. 104: 31), het onvoorwaardelijk, boven alle tijd en al het worden in de tijd verheven, onveranderlijk wezen Gods.

2. Wat wel een aanvang in de tijd, maar geen einde heeft, tegelijk het inwendig oneindige. Zo wordt het gebruikt, wanneer er van de heerlijkheid des eeuwigen levens sprake is (2 Kor. 4: 17. Joh. 3: 16). Daar (Matth. 25: 46) het zelfde woord: eeuwig, van de smart der ver doemden, als van het leven der rechtvaardigen gebruikt wordt (vgl. Dan. 12: 2), zo wordt met grond hieruit besloten, dat ook de verdoemenis iets inwendig (intensief) en uitwendig (protensief) oneindigs zijn moet; want, zegt men met recht, het is niet aan te nemen, dat het woord ÔÇ×eeuwigÔÇ£ in een zo korte uitspraak in verschillende betekenis gebruikt zal zijn, dat het de ene maal iets eindigs, de andere maal iets oneindigs kan betekenen. Op zich zelf kan het woord wel een meer of minder lange duur aangeven, zoals dit uit Ps. 119: 111. Jer. 18: 16, voornamelijk uit Exod. 21: 6. Lev. ÔÇÿ25: 46 blijkt; maar de samenhang, waarin daar (Matth. 25: 46) ÔÇ×zij zullen in de eeuwige pijn gaan, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven,ÔÇØ het woord eeuwig voorkomt, is beslissend, vooral als men de plaatsen daarbij aanhaalt, waarin de duur der verdoemenis ontkennend wordt uitgedrukt. Bijzonder gewicht heeft hier de driemaal na elkander herhaalde uitspraak van Jezus: “hun worm sterft niet en hun vuur wordt niet uitgeblustÔÇØ (Mark. 9: 44, 46, 48; verder Matth. 12: 32. Openb. 14: 11, vgl. Gal. 1: 5. Openb. 22; 5). Mogen wij deze worm laten sterven, dit vuur laten uitgaan, met voor te geven, dat de eeuwige pijn volgens haar aard niet zo eeuwig kan zijn als het eeuwige leven,┬áalsof zij zou een verstoring zijn van de zaligheid der rechtvaardigen? ‘

3. De juiste bemiddeling echter tussen de aangevoerde uitspraken en de schijnbaar tegenstrijdige (Ezech. 16: 53, 55. 1 Kor. 15: 25. Rom. 5: 18, 19. Philip. 2: 10, 11), ligt wel daarin dat men aanneemt volgens Matth. 12: 31 , dat slechts de lasteraars des Heiligen Geestes voor altijd van de zaligheid uitgesloten zijn, maar voor allen, in wie nog een vonk van het verlangen naar waarheid en liefde voorhanden is, daarboven na vele en lange smartelijke louteringen de hier verzuimde redding nog mogelijk zijn zal. Dit is evenwel slechts een hoop, geen bepaalde en duidelijke leer der Schrift.

4. God heet de Koning der eeuwigheid (1 Tim. 1: 17) d. i. Hij beheerst de op elkaar volgende wereldperioden met alle daarin voorkomende gebeurtenissen. Oetinger: ÔÇ×de tijd is een ingewikkelde eeuwigheid, de eeuwigheid een ontwikkelde tijd.ÔÇØ ÔÇö “God heeft de volgorde der eeuwigheden of grote tijdperken, van hun begin tot hun einde, om Christus wil vooruit bepaald en in de schepping klein en groot, volgens de overeenkomst met het lichaam van Christus, d. i. met de gemeente afgebakend.ÔÇØ ÔÇö De eeuwigheden zijn derhalve daar, opdat de diepten van het goddelijk leven er uit geput en aanschouwelijk gemaakt zouden worden.

5. Omdat God eeuwig is, daarom heeft hij aan de mens de eeuwigheid in zijn hart gegeven, zoals het Pred. 3: 11 in de grondtaal luidt. Hij heeft ons met het onverdelgbaar Godsbewustzijn, met het zedelijke bewustzijn in het geweten tegelijk een verlangen naar de eeuwigheid, een uitzien naar de eeuwige zaligheid ingeplant. Dit moet onder het gevoel der onbestendigheid van al het aardse gewekt en versterkt worden.

The Author

vader Jakob

Mijn bijnaam is vader Jakob, omdat ik Jakob heet en vader ben, met kleine v. Ik ben een taalliefhebber en een liefhebber van het Woord met een grote W. Beschouw mezelf als niet passend in enige denominatie of kerkgenootschap. Erg benieuwd naar de toekomst.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alverzoening © 2016 Frontier Theme