Alverzoening

weerwoord voor een dwaalleer Joh. 1:12

De uitnodiging van zondaars tot zaligheid (3)

DE UITNODIGING VAN ZONDAARS

tot

ZALIGHEID

EEN LEERREDE

over

JOH. 7: vs. 37.

TE AMSTERDAM,

3 November 1833.

DOOR

ERNST FRIEDRICH BALL

Derde deel

Wie zijn zij die uitgenodigd worden

Geliefden! Nu wij weten, wie Hij is , die uit­nodigt , doet zich hier een tweede vraag voor, welke mogelijk nog belangrijker is dan de eer­ste , namelijk : wie zij zijn , die uitgenodigd worden?

Worden niet alle mensen hier genoemd , dan is het des te belangrijker voor ons, te onderzoeken, Wie zij dan zijn, die hier bedoeld worden. Het is zaak, voor u en voor mij, om te weten of wij tot de uitgeslotenen , dan wel tot de uitgenodigden behoren.

En inderdaad, in zeker opzicht is de uitnodiging ook niet algemeen ; zij sluit sommigen uit, namelijk: al diegenen , die geen dorst hebben; dorsten is hier in overdrachtelijke zin, net zoals de Heere, om ons in onze onbevattelijkheid en dwaasheid tegemoet te komen, Zijn gelijkenissen uit overdrachtelijke en aardse dingen ontleent, wanneer Hij ons omtrent geestelijke en hemelse dingen wil onderwijzen.

Dorst is het pijnlijkste gevoel van behoefte, de smachtende begeerte naar drank, naar dat, wat kan lessen kan. Er is geen menselijk hart, wat geen behoeften of wensen koestert; ook naar de geest dorsten zij allen. Maar waarnaar ? Vraag het uzel­f en anderen eens na, wat de begeerte van ons hart is?

Ik laat het even aan u over , of alle mensen met de dichter van de 42e Psalm kunnen zeggen: ┬╗ Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen , zo schreeuwt mijn ziel tot U , o God !”

Helaas niet! Het is bij velen een dorst, een smachtend verlangen naar de wereld en haar begeerlijkheden , naar de zonde en haar bedwelming.

Hun arme hart voelt zich onbevredigd als zij niet elke dag de drie grote afgoden de┬¡zer wereld : de begeerlijkheid van het vlees , de be┬¡geerlijkheid van de ogen en de grootsheid van het leven kunnen dienen. Hoewel dat hart nooit verzadigd,en steeds door een brandende dorst naar nieuwe soorten van begeerlijkheden ver┬¡teerd wordt , zij geloven het toch niet, dat dit alles voorbij gaat; ze bemerken niet dat zij , in plaats van een verkoelende en dorstlessende drank, gloeiend zand genomen hebben ; zij ┬¡wisselen wel van voorwerp van begeerte, laten hun keuze nu op deze, dan weer op een andere zondige lust vallen; zij dorsten naar alles, behalve naar God ; gedachten aan Hem komen niet op in hun hart. Evenmin de vraag : wat moet ik doen om behouden te worden? De bekommering over hun lot aan de andere kant van het graf, over hun zonden, over hun bekering, die kennen of verlangen zij niet; worden zij onverhoopt als door een ongenodigde gast door hun zonden overvallen, meteen wijzen zij Hem af, met : ┬╗ nee, nu niet ,” proberen ze Hem te ontvluchten , en begeven zich met vernieuwde drift tot de genietingen van de zonde, om door haar werking het verontrust geweten te verdoven. Deze dorsten niet naar God; tot hen is de stem van uitnodiging niet gericht ; zij zijn vooralsnog uit┬¡gesloten.

Maar met u is het anders gesteld , geliefde hoorders! Ja , u bekommert u wel over uw zaligheid; aan het welgevallen van God in u is u veel gelegen; u probeert dat te verwerven door uw nette wandel, door uw godsdienstige inspanningen; u troost uzelf met uw goedheid , gulheid en netheid ! Maar, hebt u wel behoefte aan een Jezus ÔÇö een Verlosser ? Dat bent u immers voor uzelf? Uw werk , uw wandel, uw kracht, goedheid , en eigen gerechtigheid , zullen voor u immers de Hemel open doen , en van het geloof in Hem, die den goddeloze rechtvaardigt , weet u immers niets? U spreekt met die van Laodicea (Openb. 3 : vs. 17.) ┬╗ Ik ben rijk en verrijkt ge┬¡worden, en heb aan geen ding gebrek ; en u weet niet, dat u ellendig en jammerlijk, en arm en blind en naakt bent”.

Maar weet het dan nu : de Heere Jezus nodigt u niet ; integendeel zegt Hij tot u : ┬╗ Ik zal u uit mijn mond spuwen.” (Openb. 3: vs. 16.) Gij behoort tot de hoogmoedigen, die God wederstaat; tot de rijken , die Hij ledig weggezonden heeft ; tot de rechtvaardigen , tot de gezonden , voor wie Jezus niet gekomen is. U bent een der Farizee├½rs , die zich zelf willen verhogen, en ook daarom vernederd zullen worden.

En dus deze allen , allen die niet naar een Zaligmaker dorsten , worden door de Heere niet ge­nodigd.

Hij sluit hen uit. Meer nog, zij sluiten zichzelf uit , door hun onverschilligheid; hun zondige begeerlijkheden, hun eigen gerechtigheid en hun hang naar de wereld.

Verder is deze uitnodiging zo onbepaald mogelijk ┬╗Wie dorst ,” zo luidt ze, voor wie het ook zijn mag.

Ik ken u niet, mijn waarde toehoorders! maar u kent u zelf , en houdt u voor grote zondaars ; de verloren zoon met al zijn zonden en schande is het beeld van uw zondig leven; maar , God zij dank ! Zijn verlangen is ook het uwe , en u zegt met hem : ┬╗ Ik zal opstaan , en naar mijn Vader gaan !” U kunt het niet langer in de zonde uithouden; U zou zich graag willen bekeren, en genade en vergeving ontvangen ; maar u durft het niet, u hebt het te erg ge┬¡maakt ; u bent in de zonde oud en grijs geworden, en zegt bij u zelf : ┬╗ ik, ik durf niet komen.,” en zie , juist u, u allereerst nodigt , roept, ja bidt de Heere; Hij, die gekomen is, om te zoeken en zalig te maken wat verloren was ; Hij , wiens bloed reinigt van alle zonden; Hij, wiens genade ook des te overvloediger is geworden, waar de zonde meerder was ; de Heere vraagt u niet, hoe lang u het tegen Hem hebt uitgehouden , hoe zwaar u gezondigd hebt, maar…. of u dorst hebt? En nu heb ik de mij heerlijke last u vandaag te zeggen, dat uw Jezus u roept en op u wacht.

Ook u, geachte toehoorder, die door het lijden en menige harde levensles doordrongen is geworden van de nietigheid daarvan; woord Gods trof u met zijn tweesnijdend scherp zwaard

Door de H. Geest werd u in het licht gebracht , dat al uw doen tot dusver, hoe goed ook naar het oor┬¡deel van de wereld, nochtans in de heilige ogen van God onrein en bevlekt is; u hebt besef van zonden en van het onreine en slechte van uw harten; u ziet begerig uit naar genade , vergeving en weder┬¡geboorte ; zie u bent ook ├®├®n der genodigden; al is uw berouw onvolkomen, uw verlangen nog klein , het inzien van uw schuld nog oppervlakkig, u hebt toch behoefte aan Jezus; tot Hem is de begeerte van uw zielen; buiten Hem vindt u nergens rust ; meermalen nam u al het besluit : ┬╗ nu moet ik veranderen,” maar zodra u het probeerde, bemerkte u dat het niet ging. Wenste u maar die kracht van Jezus te ontvangen, die alleen in staat is alle banden te verbreken ; dat vuur der liefde, om in uw hart alle liefde tot de zonde te verteren , en de sterkte van Zijn hand , die u zo machtig tot zich trok , opdat het dan toch eindelijk tot een beslissende keuze van u mocht komen. Is het niet zo, dat u dorst hebt ? Welnu : ┬╗ wie dorst heeft , kome.┬á┬á

En u, ongelukkige afgedwaalden ! Ja, ik weet wel , hoe het met u gesteld is ; u bent gevallen , en weer in de valstrikken van deze wereld verward ge­raakt ; ooit was u bij Jezus, en had vrede; maar nu , nu niet meer; uw geweten noemt u een Demas , die de wereld wederom lief heeft gekregen ; een Ezau ; die voor een bord linzen zijn eerstgeboorterecht verkocht ; u verlangt naar uw vorige staat, naar de nu door u verloochende Jezus. Maar » er is geen hoop meer zegt u ; maar zie, wat u niet durft hopen, dat roept de Heere Jezus zelf u toe , en dat vandaag nog:

┬╗ Zo iemand dorst , die kome tot Mij !” en u dorst toch naar Hem? O, kom dan; Hij heeft gaven, ook┬ávoor afgedwaalden.

Maar wat verlangt u dan nog meer, geliefden! Liefde hebt u, maar zij is nog gelijk aan een rokende vlaswiek gelijk ; geloof hebt u , maar dit is als het gekrookte riet; u wenste zo vurig dat uw liefde volkomener , uw geloof vaster , en heel uw leven meer naar de wil van God was ; onder de beproevingen ziet u uit naar licht en troost ; uw strijd, tegen de zonde, naar kracht en hulp ; in een woord : uw hele verlangen gaat naar Jezus uit; dat Hij in u leeft en werkt, ja in u woont ! U dorst naar Hem, en wordt door Hem genodigd; ja , de uitnodi­ging is onbepaald : aan allen, die dorsten, al is hun dorst ook nog zo gering , al hebben zij het misschien nu, onder deze prediking voor het eerst in hun leven goed verstaan, hoe zwak hun verlangen nog is , maar nochtans ontdek­ken , dat er een begeerte in hen is, om ook bij diegenen te horen , die waarlijk naar de Heere dorsten.

The Author

vader Jakob

Mijn bijnaam is vader Jakob, omdat ik Jakob heet en vader ben, met kleine v. Ik ben een taalliefhebber en een liefhebber van het Woord met een grote W. Beschouw mezelf als niet passend in enige denominatie of kerkgenootschap. Erg benieuwd naar de toekomst.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alverzoening © 2016 Frontier Theme